HET SCHOKKENDE VERSLAG VAN DE OPNAME VAN
43 ERNSTIG VERWAARLOOSDE CHINS UIT BUURLAND BELGIË

Het is zondagmorgen, 12 oktober 2003, als ik met een schok wakker word.
Als ik om me heen kijk, zie ik tot mijn ontzetting een donkere kamer vol chinchilla's.
De
meeste dieren zitten in kooien, opgestapeld langs de muren tot aan het
plafond. Sommige chins lopen gewoon rond en zien er uit als ratten: sterk
vermagerd en helemaal wild van de honger. Zelfs hun blik is wild.
Andere
zijn zowaar bezig te bevallen, terwijl er nergens een plekje te vinden is
waar zij ongestoord kunnen zitten.
Diverse babychins worden onder de voet
gelopen of door volwassen dieren verpletterd. Ook zijn er chinchilla's met
elkaar aan het vechten..
Een nachtmerrie? Een droom?
Neen, een soort visioen, zoals ik dat wel vaker
in mijn leven heb gehad.
De link met Antwerpen wordt dan ook onmiddellijk gelegd.
Snel maak ik Aard wakker en vertel hem van de beelden waarmee ik zojuist ben
ontwaakt.
Aard weet als geen ander dat hij dit soort ervaringen uiterst

serieus moet nemen en stemt er in toe dat ik direct contact opneem met de
mevrouw in Antwerpen om te zien of ik een afspraak kan
regelen.
Als het enigszins mogelijk is, willen wij vandaag nog naar haar toe
om de situatie in ogenschouw te nemen.

De eigenares is blij verrast als ik haar bel met de
mededeling dat wij in principe bereid zijn om haar 31 chins op te nemen en
dat wij van plan zijn deze middag naar haar toe komen voor een
inventarisatie.
Eventueel kan dan reeds een deel van het chinchilla- bestand
door ons worden meegenomen. Haar man, die deze middag juist naar voetballen
wilde, toont zich wat minder enthousiast, maar is toch bereid voor ons thuis
te blijven.

Na een vlugge ronde langs al onze dieren en enkele voorbereidingen voor de
reis, rijden we rond half twaalf weg.
We hebben slechts drie
zogenaamde weduwenkisten bij ons: twee grote en een middenmaat en nog een
klein tentoonstellingskooitje voor het geval dat...
We lijken de weg wel voor ons zelf te hebben. Tot Antwerpen komen we slechts
dertien vrachtwagens tegen en verder wat zondagsrijders die genieten van het
stralende herfstweer.
Precies om half drie rijden we op de ringweg van Antwerpen, waar wij al gauw
stuiten op de afslag Hoboken, een wijk in het havengebied bij de Schelde.
Evenwijdig aan het spoor, treffen wij de straat waar we moeten zijn.
We
parkeren de auto tegenover het huis en bellen aan. Terwijl we onze blik
langs het pand laten gaan, valt de propere buitenkant op: een keurige
voordeur, gezeemde ramen en een netjes geveegde stoep.
Binnen zwelt het geluid van blaffende honden verder aan. Een vriendelijke
vrouw in ochtendjas opent de deur en nodigt ons binnen.
Reeds in de lange
gang lopen we tegen een muur van kattenpis. Dan wordt de deur naar de
woonkamer geopend. Althans woonkamer.
Als mijn ogen enigszins aan de
duisternis zijn gewend, zie ik - net als in mijn visioen - rondom langs de
muren een bonte verzameling van kooien opgestapeld.
Links waar wij binnenkomen en nog voor het keukengedeelte, staan enkele
caviabakken met fretten. De dieren verspreiden een doordringende geur en
hebben nauwelijks ruimte om zich goed op te richten.

In een hoek van een van
deze bakken ligt een hoop stront, zo groot en zo
hoog, dat wij aanvankelijk denken dat er een dood dier ligt.
Achter in de
kamer staan drie kleine konijnenkooien. De dieren hebben weinig ruimte, maar
zitten redelijk schoon.
Ook zit er nog een cavia bij.
Boven deze kooien bevinden zich weer talloze vogelkooien in uiteenlopende
vormen en maten.

Dan valt mijn oog op twee op elkaar gestapelde gaasbakken. Als ik er naar toe wil lopen, blijf ik bijna met mijn haar in een vieze, zwarte vliegenstrip vast kleven. De woning blijkt er vol mee te hangen.
Nieuwsgierig buig ik me voorover om in de metalen bak te kunnen kijken.
Wat ik dan zie, tart iedere beschrijving: zeker tien, merendeels kale chinchilla's tussen de vijf en veertien maanden, zitten op een kluitje op de bodem.
Ze kijken niet op of om en maken een danig verzwakte indruk.

'Hé, jongens', probeer ik 'hoe is het met jullie?'. Drie koppies (foto) richten zich met moeite op en drie paar doffe ogen kijken me wanhopig aan.
Onvoorstelbaar hoeveel triestheid te lezen is in hun blik…
Ik moet me inhouden om geen vervelende of scherpe opmerkingen te maken. Uiteindelijk is het de bedoeling dat wij proberen de dieren mee te krijgen. Het verstoren van de relatie met de eigenaars zou dan wel eens een spaak in het wiel kunnen drijven. Dit mag onder geen voorwaarde gebeuren!
Ook in de bak eronder treffen we eenzelfde trieste situatie een tiental plukkerige chins, kaal van de schimmel en het vachtbijten, zitten op een kluitje bij elkaar.
De stank in hun kooi is ondraaglijk. Urine sijpelt in de hoeken door de naden van de metalen onderbak op het tafelblad.

Naast de deur van de woonkamer staat een halfrond (foto) vogelkooitje: 60 cm hoog en dertig (!) cm diep.
Hierin zit Margriet, een depressief vrouwtje met 'haar' mannetje, dat bij thuiskomst een vrouwtje blijkt te zijn.
Margriet mag aanvankelijk niet met ons mee. De eigenares is te zeer aan haar gehecht en wil haar behouden.
Het zelfde geldt voor Bambino, een kogelronde chinchilla (vermoedelijk met leververvetting) die haar lievelingetje is. Ook een ander solitair mannetje en een eenzaam vrouwtje in een kapotte caviabak, dreigen niet met ons mee te mogen.
In de smalle, lange poot van de L-vormige woonkamer, treffen we, als we ons omdraaien, nòg een gaasbak, alsmede twee volières.
In de gaasbak zitten drie chinchilla's. In de volières, waar het te donker is om goed naar binnen te kunnen kijken, zien we vaag op de bovenste plank een hele rij volwassen chins.

Temidden van deze bonte verzameling dieren, bevindt zich ook nog een kip, een koppel duiven en een aantal andere vogels.
Vlak voor een groot eikenhouten wandmeubel dat bijna de gehele muur beslaat, staan enkele klim- en krabtoestellen opgesteld voor de diverse in de woning aanwezige katten.
Ruimte om er te lopen, is er nauwelijks. De fauteuils staan pal tegen de salontafel: alleen door de stoel een slag te draaien, kunnen we plaatsnemen.
Voor ons staat vrijwel direct vast, dat wij deze middag
alle chins zullen meenemen en dat wij er niet één achter zullen laten. Hoe e.e.a. te realiseren, blijft echter nog even de vraag.
In de eerste plaats moeten wij de eigenaren overtuigen van de noodzaak ervan en in de tweede plaats moeten wij nog zien dat wij de hele 'handel' in onze auto krijgen. Vooral dit laatste lijkt een schier onmogelijke opgave.

Gelukkig weten wij de mensen na enige tijd over te halen om afstand te doen van al hun chins. Nu kan het inladen beginnen. Als eerste pakken we de gaasbak met 'schimmelklanten', vervolgens de druipende bak met vachtbijters en daarna de gaasbak met drie volwassen bokjes.
Hierna worden de vele chins uit de volières gevangen en ondergebracht in onze twee grootste vervoerkisten. In één kist tellen we er zelfs tien. Dit betekent dat er aanzienlijk meer dan 31 chins in huis aanwezig moeten zijn.
In de kleine weduwekist plaatsen we tenslotte drie depressieve vrouwen.
Nu wordt het improviseren, want ook Margriet en haar 'mannetje' en Bambino en de twee andere solitaire chins moeten nog mee.

Bambino zetten we met een pluk hooi in het meegebrachte tentoonstellingskooitje (foto).
De kooi van Margriet kunnen we uiteindelijk met veel duw- en trekwerk in de auto persen, waar hij echter dusdanig klem komt te staan tegen het dak, dat wij de kooi bij thuiskomst er nauwelijks nog uit kunnen krijgen.
Voor het solitaire vrouwtje krijgen we van de eigenaars een naar kattenpis stinkende vervoerskennel mee.
Het mannetje wordt ondergebracht in een lage plastic reptielenbak met in de hoeken ondefinieerbare, bruine viezigheid. Met de laatste twee transportbakken zal ik op de terugweg tussen mijn benen moeten zitten, want iedere vierkante centimeter van onze laadruimte is benut.
Nu nog even snel naar het toilet en dan kunnen we vertrekken…
Terwijl de eigenares van de chins ons met vochtige ogen voorgaat door haar keuken, zien wij op het aanrecht een grote bak met vissen. Op een kastje ernaast zit een duif in een hok.

Zijn zitstok is, evenals de zitstokken van de vogels in de woonkamer, helemaal dik van de poep.
Op een kastje staat een lage glazen bak met een grote waterschildpad. Een pomp en een verwarmingselement ontbreken. Happend naar lucht probeert het arme dier boven het wateroppervlak te blijven.
Ook in de bijkeuken, een soort overkapt plaatsje, treffen we diverse hokken. Sommige zijn leeg, in andere zitten duiven. De meeste vogels zitten alleen en kijken maar wat voor zich uit.
Onvoorstelbaar hoe dieren'liefde' zo uit de hand kan lopen. Onbegrijpelijk ook dat de Dierenbescherming in België (althans volgens de eigenares) hier incidenteel nog dieren onderbrengt.
Met gemengde gevoelens nemen we afscheid. De mensen zijn echt aardig. Het is dan ook vreselijk te horen dat mevrouw ernstig ziek is…

Maar toch: haar ziekte is geen excuus voor zoveel dierenleed. Zij had het nooit zover mogen laten komen!
En vooral haar echtgenoot rekenen wij aan, dat hij zich slecht van zijn taken heeft gekweten.
Al had hij na zijn werk iedere avond maar één kooi schoongemaakt, dan zou het nooit zo'n vieze bende (foto) hebben kunnen worden als nu het geval is.
Stel nu, dat wij vanmiddag niet waren langs gekomen, dan zou meneer doodgemoedereerd naar het voetballen zijn gegaan, in plaats van zich om de dieren en hun vieze kooien te bekommeren.
Maar nog los daarvan: mannen en vrouwen door elkaar huisvesten, geen castraties laten uitvoeren en zieke dieren de nodige medische zorg onthouden: dat is in mijn ogen een zeer kwalijke zaak!

Het is bijna 19.00 uur als wij Antwerpen uitrijden.
Even over de grens, zien wij ons genoodzaakt de auto te parkeren op een parkeerplaats. De stank van mest en ammoniak is ondraaglijk. We zullen echt even moeten ventileren (foto), willen wij verder kunnen rijden.
Onder het toeziend oog van enkele nieuwsgierigen, openen wij de achterklep van onze auto. Een stel Roemeense vrachtwagen- chauffeurs deinst verschrikt achteruit bij het zien van onze kooien met 'ratten'. Wat moeten wij met die enge beesten?
Van het woord 'opvang' of 'asiel' hebben ze duidelijk nog nooit gehoord. Hoofdschuddend klimmen ze in de cabine van hun truc met oplegger. Hollanders…… Raar volk!

Met branderige ogen en een bonkende hoofdpijn rijden we verder. De zon gaat langzaam onder en dompelt de laadvloer van onze stationcar in een wonderlijk oranje schijnsel.
Enkele 'schimmelklantjes' zijn juist bezig te ontwaken en scharen zich rond twee voerbakjes.
'Gelukkig dat zij nog eten hadden', hoor ik Aard zeggen. Terwijl ik zie hoe een graatmagere chin een keutel in zijn handje geklemd houdt, valt mijn oog op de inhoud van een van de voerbakjes. Vol verbijstering moet ik vaststellen dat de dieren geen pellets zitten te eten, maar hun eigen ontlasting (foto)!
Uit het kooitje van Bambino, dat tussen mijn benen staat geklemd, neem ik voorzichtig wat hooi en prop dit door de tralies van de gaasbak naar binnen. Wild van de honger vallen de scharminkels er op aan.
Twee blijven er aanvankelijk zitten. Als ze toch overeind proberen te komen, zie ik ze wankelen. Dan vallen ze neer: te zwak om zonder steun rechtop te zitten…

In 't Harde zijn we opnieuw genoodzaakt de auto aan de kant te zetten om even lucht te scheppen. We kunnen eigenlijk niet ventileren omdat zeker twintig chins nauwelijks enige beharing (foto).
Ze zouden zo een longontsteking oplopen.
Ook besluiten we even naar huis te bellen om Maaike en Marijke te instrueren t.a.v. de werkzaamheden die vanavond nog zullen moeten worden uitgevoerd.
Zo dienen o.a. alle chins die nu nog in de quarantainerruimte verblijven, naar beneden te worden gehaald en in onze woonkamer geplaatst.

Het is 23.30 uur als wij met onze stinkende en trieste lading stilhouden voor de deur van de opvang. Samen met Marijke worden alle kooien en vervoerskisten uitgeladen en in de keuken gezet. Het meurt hier binnen de kortste keren dan ook als in een riool.
Na een grondige wasbeurt en een heerlijk kopje thee, vertrekken we gezamenlijk naar boven om de quarantaineruimte verder in te richten. Hiertoe moet ook de vliezotrap van onze zolder worden uitgetrokken om de daar aanwezige opvangkooien een verdieping lager te brengen.
Als eerste worden de chins uit de transportkisten bevrijd. Het verbaast ons dat zij de benauwde reis hebben overleefd.
Het blijken zes depressieve vrouwen en een ongecastreerd mannetje te zijn. Een aantal van hen is drachtig.
Het mannetje zullen we helaas moeten scheiden om te voorkomen dat hij nog meer vrouwtjes zwanger maakt.
Arm dier! We zullen hem zo snel mogelijk laten castreren.
Uit de andere vervoerskist komen tien vachtbijters. Mannen en vrouwen blijken door elkaar te zitten. We tellen vijf mannen en vijf vrouwen die wij (althans voorlopig) in koppelkooien naast elkaar plaatsen.

De gaasbakken zijn te vies om aan te pakken en lekken urine. Om die reden kunnen wij ze niet de trap op dragen en zullen alle chins in de keuken moeten worden gevangen en vervolgens in een transportbox naar boven gedragen.
De dieren blijken zo zwak, dat het vangen nauwelijks een probleem vormt.

Eenmaal boven, worden ook deze chins gesekst en mannen en vrouwen van elkaar gescheiden.
Onwennig lopen de scharminkels rond in de dikke laag houtvezel, klauteren met moeite op een van de zitplankjes, om er vervolgens weer vanaf te vallen.
Enkelen zijn zelfs nog te zwak om een zandbad te nemen en blijven roerloos in het zand zitten.
Sommige kruipen in een kruik en vallen vrijwel direct in slaap, anderen hangen minutenlang aan de waterfles (foto).

Wij zullen bij de twintig uitgehongerde chins extra voorzichtig moeten zijn met het verstrekken van voedsel, anders lopen wij nog het risico dezelfde fouten te maken als destijds de Amerikanen toen zij mensen bevrijdden uit de concentratiekampen: het royaal verstrekken van voedsel aan uitgehongerde mensen of dieren, betekent in de meeste gevallen (alsnog) hun dood.
Gretig springen de benige stakkerds op de voerbakjes die wij beperkt hebben gevuld. Er wordt geduwd, voorgedrongen en getrokken.
Sommige chins vallen gewoon om, andere dreigen zichzelf vol te proppen en moeten worden tegengehouden.
Het schouwspel is eigenlijk te afgrijselijk voor woorden: dat de dieren in een vieze kooi hebben gezeten is al erg genoeg, maar dat een aantal van hen ook nog honger heeft geleden, is gewoon crimineel!

Het loopt tegen tweeën als wij besluiten het licht van de quarantaineruimte uit te doen en naar beneden te gaan.
Telling heeft inmiddels uitgewezen dat wij tweeënveertig chins hebben gered (foto).
Voor het leven van drie zwakke broeders moet echter nog worden gevreesd.
Met een hoofd vol indrukken en een vermoeid lichaam, val ik niet veel later als een blok in slaap.
NASCHRIFT
Als ik dit schrijf - juni 2004 - is het onderhand al weer meer dan een half jaar geleden dat dit 'Antwerpen-drama' zich voltrok.
De meeste dieren zijn gelukkig al vrij snel na hun binnenkomst opgeknapt.

Zelfs Stef (foto), een toenertijd praktisch ten dode opgeschreven karkas, hebben wij er doorheen kunnen slepen.
Uiteindelijk hebben alle 43 chins (we hadden ons er 1 verteld) het drama overleefd.
Inmiddels hebben zich helaas al weer diverse nieuwe drama's voorgedaan, zoals o.a. de laffe dumping van enkele chinchilla's in Hoogezand, het konijnendrama bij Jumper-Stadskanaal en de recente opname van 28 ernstig verwaarloosde chins uit Ede.
Toch staat
12 oktober 2003 voor eeuwig in ons geheugen gegrift ……